Verplicht cliëntervaringsonderzoek Wmo biedt gemeenten kansen: drie tips

De VNG presenteerde onlangs de verplichte vragenlijst en instructies van het Cliëntervaringsonderzoek. Vóór 1 juli 2016 moeten alle gemeenten de resultaten hebben verwerkt. Voor gemeenten, maar ook voor gebruikers en aanbieders, kan dit cliëntervaringsonderzoek een effectief hulpmiddel zijn bij verbeteren van de kwaliteit van de voorzieningen. Drie tips om dit onderzoek effectief aan te pakken.
1.Gebruik verschillende methoden

De Wmo-doelgroep is breed en zeer divers. Voor een goed beeld van de cliëntervaringen in een gemeente is het nodig dat zoveel mogelijk verschillende mensen de vragenlijst invullen. De minimumvariant voor het onderzoek is het uitzetten van de 10 verplichte vragen door middel van een schriftelijke vragenlijst. Met deze werkwijze kunnen gemeenten weliswaar betrouwbare uitspraken doen over cliëntervaringen, maar blijft een groot deel van de meerwaarde van het onderzoek onbenut.

Het werken met uitsluitend een schriftelijke vragenlijst maakt dat een deel van de Wmo-doelgroep geen respons kan geven. In het bijzonder de ervaringen van de meest kwetsbare groep Wmo-gebruikers blijft dan onderbelicht. Denk bijvoorbeeld aan slechtzienden, laaggeletterden, mensen met een (licht) verstandelijke beperking en mensen die de Nederlandse taal slecht beheersen.

Drie manieren om de respons te verhogen:

•Bied de vragenlijst ook digitaal aan. Een voorleesfunctie bij de digitale vragenlijst biedt blinden, slechtzienden en laaggeletterden bovendien de mogelijkheid om ook hun ervaring te delen.

•Bied ondersteuning in de vorm van telefoongesprekken of hulp bij het invullen op locatie door (neutrale) vrijwilligers of professionals, bijvoorbeeld cliëntondersteuners.

•Laat getrainde cliënten andere cliënten de vragenlijsten afnemen. Binnen de GGZ is hier al veel ervaring mee.

Lees hier het volledige artikel.